Iedere gemeente van Béziers-Méditerranée heeft zijn "totemdier": dit moet u begrijpen als een dier die een dorp als symbool heeft gekozen. Deze dieren komen uit de streeklegendes die vaak teruggaan tot de middeleeuwen. De inwoners maken er van stof en hout een pop van. Hij is van de partij bij alle uitstapjes, feesten, evenementen, en wordt trots gedragen door jonge dorpelingen, die door de straten gaan.  

De pad van Bassan

De bijnaam van de inwoners van Bassan is manja-pad. Twee inwoners van Bassan werden verrast door een onweersbui, en scholen onder een vijgenboom. De regen stopte pas diep in de nacht. De twee uitgehongerde jongens besloten de vijgen van de boom te eten. Een jongen klom bij de ander op de schouders, plukte al tastend de vruchten en gaf er ook aan zijn vriend. Deze laatste had op een gegeven moment blijkbaar iets vreemds in zijn mond gestopt, dat hij doorslikte. Maar vervolgens begon zijn buik te vreemde geluiden maken... 

De kikker van Lieran

In 1694 -volgens de legende-, dus onder Lodewijk XIV, heerste er een vreselijke hongersnood, de oogsten compleet mislukt, de wegen vol bedelaars en gevluchte protestanten, de epidemieën verspreidden zich snel. Ook het dorp Lieuran werd al deze rampen niet bespaard. Het enige redmiddel: bidden en pelgrimstochten. Op een dag, barstte er een ongekend zware onweersbui uit. De dorpelingen, stijf van angst door het vreselijke lawaai, dachten aan een afstraffing van god. Ze gingen de kerk uit. En toen, nog altijd volgens de oude legendes, zagen ze het volgende: samen met de gigantische stortbui, vielen er miljoenen groene kikkers uit de lucht. Ze waren overal: op de daken, in de straten, in de wijngaarden! Deze kikkers waren gezegend eten, een troost voor de hongerige Lieurannais. Dat zette natuurlijk kwaad bloed bij de nabijgelegen dorpjes, die de inwoners van Lieuran-lès-Béziers, «Los Beca-ranetas» (de kikker-eters) als bijnaam gaven. 

De kameel van Béziers (lou camel)

Hij was uit Egypte gekomen met St Aphrodise (evangelist van Béziers, 1ste bisschop van de stad, door de Romeinen gemarteld). Na de dood van zijn meester, riskeerde het dier eveneens snel afgemaakt te worden. Maar een pottenbakkersfamilie had medelijden met hem, en leverde hem het nodige voedsel. Toen Aphrodise erkend werd als Heilige, beschouwden de stadsbestuurders het als een eer om alle onderhoudskosten van het dier op zich te nemen. Hij kreeg dus een huis, aan de ingang van de huidige rue Malbec, die na de dood van de dromedaris "rue du Chameau" was gedoopt. De inkomsten van dit leengoed werd vervolgens door de consuls gebruikt voor de koop van brood, dat verdeeld werd onder de armen, na te zijn gezegend door de bisschop, tijdens de Caritats feesten. Tegenwoordig wordt dit delen gesymboliseerd door de "coque" van St Aphrodise, een soort brioche.

Ter herinnering van de kameel werd er een enorme houten machine gebouwd, bekleed met een geverfd doek, met daarop de wapens van de stad en twee opschriften aan de zijkant: de een in het latijns EX ANTIQUITATE RENASCOR (ik ben uit de Oudheid opgestaan), de ander in het occitaans: SEN FOSSO (Wij zijn veel, sterk/in groot aantal). De kameel wordt altijd bereden door een vreemd geklede personage: de PAPARI (ongetwijfeld een verwijzing naar "Papalin/Papalino": soldaat van de Paus)

De inktvis van Boujan-sur-Libron (lo pofre)

In Boujan-sur-Libron heerste hongersnood toen een visser het volgende nieuws bracht: de Libron zat vol inktvissen (Occitaans: pofres) uit de Middellandse Zee, op een afstand van vier lieues (1 lieue = 4,8 kilometer). De inwoners gingen er snel op af, en zagen het wonder. Het dorp was gered van de honger!

De eenhoorn van Sérignan

Dit is een recente creatie, te danken aan de schoolkinderen van Sérignan: het verhaal een ontmoeting tussen een paard, gekomen uit Italië en een schelp, die op de oever van Sérignan lag. Het mythische dier kwam tijdens zijn reis de inwoners te hulp, waarbij hij terecht kwam op het strand van het dorp.

Unicòrn. Volgens de legende veranderde een prachtig paard in een eenhoorn, die de vissers hielp bij het vangen van vis, en de wijnbouwers om hun grond te verbouwen. Geen twijfel mogelijk dat deze wilde schoonheid over de inwoners waakt.  

Het edelhert van Servian (lo servi)

De legende van dit magische dier is een historisch feit. In het jaar 1208 werd op bevel van paus Innocentius III, een kruistocht geleid tegen de Albigenze ketters (Katharen); die waren immers van God los en moesten dus dood. Volgens de heilige wet van Rome, moest de trots gekrenkt worden van deze mensen uit het Zuiden, deze eigenwijze en stugge stijfkoppen die meenden een loopje te kunnen nemen met de religieuze orde. Aan het hoofd van dit leger dat belast was met de afstraffing, graaf Simon de Montfort, die bekend stond als bloeddorstig man, en gevreesd werd waar hij ook kwam. En zo moest Servian, vredig dorpje in Languedoc, ook buigen voor de heilige onderdrukking. In die tijd leefde er rond het dorp een prachtig, statig edelhert, die iedere morgen bij zonsopgang kwam drinken in de het La Lène beekje. De plaatselijke heer, die dit te horen had gekregen, besloot dat deze prachtige trofee voor hem zou zijn. Dus organiseerde hij een grote jacht. Na een lange achtervolging was het edelhert omcirkeld door de menigte die hem op de hielen zat. Hij kon geen kant meer op. Maar hij liet zich niet zomaar vangen; moedig zet hij de aanval in, en gaf zo'n enorme schreeuw dat alle honden op de vlucht sloegen, tot grote wanhoop van hun bazen. Tegenover zoveel moed besloot de ruimhartige heer het dier te sparen, en te laten gaan. Het leven gaat weer verder, tot op een dag Simon de Montfort en zijn ontketende gevolg het dorp naderde. Zijn doel: Servian aanvallen, en veroveren. Maar het edelhert was het niet vergeten: hij moest deze heer zijn erkenning laten zien. Een avond bij maanlicht schreeuwde hij zo hard, dat de grond schudde. Hij sloeg zijn krachtige hoeven tegen de grond, als een trommelend leger. De aanvallers, die schijters uit het Noorden, wisten niet hoe snel ze weer weg moesten komen... 

Het schildpad van Lignan-sur-Orb (la tartugo)

Er was eens… Aan het eind van de winter van 1399, terwijl de 100-jarige oorlog woedde werd Languedoc overspoeld door overvallers. Het was een strenge winter geweest, met veel regen: de Orb bedekte de biterrois vlakte, het was gedaan met de oogst. De inwoners leden honger; maar de kikkers en de schildpadden aten zich rond in de Orb.

Simon, een jonge lignanees, zat graag aan de oever van de rivier, om rietfluit te spelen. De jongen trok de aandacht van enkele schildpadden, en dat werden er steeds meer, met wie hij zijn magere maaltijd deelde. Maar de beesten, die zijn muziek erg mooi vonden, hielden niet van een bepaalde melodie, waardoor ze vluchtten.

Op een ochtend in mei, werd Simon wakker van vreemd lawaai: een horde aanvallers met rammelende harnassen kwamen vanuit Carcassonne, en naderden Lignan. Zo gauw hij ze zag, wist Simon dat het roverscouts waren, en kwamen om zijn dorp te plunderen, alvorens zich te gaan uitleven op Béziers. Maar de jongen was alleen thuis: zijn ouders waren weg om hout te hakken, en de meeste inwoners van Lignan zaten al ondergedoken in Béziers.

De Orb was het enige wat Simon scheidde van deze "monsters". Hij ging dus naar de rivier, en speelde het favoriete melodietje van de schildpadden. Al snel verzamelden zich honderden beestjes om hem heen, en vormden een wad tussen de 2 oevers van de Orb. De troep rovers begon de oversteek; maar toen de eerste voet aan de wal van Lignan wilde zetten, begon Simon de melodie te spelen die de schildpadden vreselijk vonden... ze wisten niet hoe snel ze weg moesten komen. Het wad viel uit elkaar, de rovers vielen in het de Orb, omringd door honderden schildpadden die, denkend dat ze aangevallen werden, de meesten lieten verdrinken en de anderen wegjoegen door te bijten.

De list van Simon had Lignan en Béziers gered. Van die tijd gingen ieder jaar in mei en tot zijn dood, Simon met zijn vrienden uit Lignan naar de oever van de Orb om de schildpadden te bedanken, en ze te trakteren." En zo is de schildpad het totemdier van Lignan-sur-Orb. geworden"